Buurman

 

Onze straat wordt geregeerd door een code. Een geheime code, de ongeschreven regel waar iedereen zich aan houdt en waar niemand het over heeft. Wat er in de straat gebeurt, blijft in de straat, sterker nog; zelfs in de straat hebben ze het er niet over. Dat hoeft ook niet, iedereen is immers op de hoogte van de mores en gedraagt zich ernaar. En zwijgt erover. Vooral tegen nieuwe bewoners, zoals wij. Dus hoewel ik schuldig ben, bepleit ik vol overtuiging mijn onschuld als een buurman 's avonds tegen het raam klopt. 'Ik moest kloppen, want de bel doet het niet,' citeert hij elke bezoeker van Gert en Samson. Zijn hondje, waarmee hij welke dag minstens vier keer door de straat schuifelt (het is een oude man) benut ondertussen de volle lengte van zijn halsband en snuffelt halverwege de hal aan mijn tas. Hij vindt het niet normaal. Ik mag hem een oude zeikerd vinden en me afvragen waar hij zich mee bemoeit, zegt hij. Ik op mijn beurt vind hem een oude zeikerd en vraag me af waar hij zich mee bemoeit, in die zin zitten we op dezelfde lijn maar dat blijkt ook echt de enige te zijn. Misschien is hij praatziek of is het de leeftijd, maar hij blijft maar ratelen en herhaalt zichzelf zo vaak dat ik begin te denken dat hij het allemaal echt meent. Hoe vaker hij me vertelt wat ik heb misdaan, hoe meer ik mijn straat begin te begrijpen en vooral de twee gezinnen die er helemaal niet uitzien alsof je hoogbejaard of huisarts zijn, maar meer als hondstrouwe aanbidders van Kees van der Staaij. Sinds we hier wonen heb ik me over hen verbaasd, maar nu heb ik respect voor ze, omdat ze het kruisje dat ieder huis heeft niet achter de vitrage verbergen maar het pontificaal op de straat hebben geschilderd. Misschien is het juist daarom ook dat ze anders lijken; ze worden genegeerd omdat ze de code openbaar hebben gemaakt.

Ik hoor mijn dochter me vanuit de badkamer roepen, de buurman trekt zijn hond weer naar zich toe maar maakt geen enkele aanstalten om te vertrekken en kan niets anders dan verbijstert naar hem te blijven luisteren. 'Mijn buurman,' zegt hij voor de vijfde keer. 'Die zou er zelf nooit wat van zeggen, maar ik wel want ik vind het niet normaal. Moet je kijken man, er passen er nog wel twee.' Hij wijst naar de lege plek voor ons huis. 'En ik loop hier vier keer per dag met die hond door de straat en dan zie ik dat en dat irriteert me dan, weet je. Hoe kun je die auto van je nu vier dagen lang voor het huis van mijn buurman laten staan. Dat doe je toch niet. Kijk, ik heb een bus, die wil jij toch ook niet voor je deur hebben staan?' Hij is ertoe in staat, denk ik wanneer ik de deur eindelijk dicht heb gedaan en naar boven loop om mijn dochter een kusje te geven. En ik verlang terug naar Amsterdam, waar ik al blij was als ik mijn auto überhaupt in de straat kwijt kon. 



Reacties

Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Hou mij op de hoogte
Ik wil op de hoogte gehouden worden
Dit is een verplicht veld