Laatste artikelen

 

Het overkomt me één keer per jaar en het duurt een week. Hooguit twee. Vanuit het niets komt het op, onomkeerbaar als een niesbui. Ik ben Regan McNeill en Peter Kops is de duivel die bezit van me neemt. Er is weinig anders waar ik aan kan denken. Het is Exter-O-Naldus wat de klok slaat. Het is niet zo dat ik ineens sportsokken ga dragen of rokken ga jagen. Net zo min luister ik naar Julio Iglesias. Zelfs niet naar de muziek van Extince. Ik stel mezelf triviale vragen zoals hoeveel weken geleden hij is geboren in het nummer Spraakwater (1420),  en ik struin YouTube af, op zoek naar fragmenten en interviews die ik nog niet eerder heb gezien.

Dit jaar kwam ik terecht op de ‘ruzie’ tussen Extince en Brainpower. Waar en waarom het precies is begonnen weet ik niet, ik heb het ook niet opgezocht. Maar het nummer ‘Doorgaan’ is blijkbaar een aanval op Brainpower, die reageert met 'Ghostbusters', waarin hij zegt dat Extince ten onrechte de credits voor het succes van Brainpower claimt, dat er nog meer woorden in onze taal zijn dan ‘je weet toch’. Extince reageerde hier weer op met ‘Wee toch’. Hierna volgde helemaal niets meer. Die hele dis interesseert me helemaal niet, maar toen ik een interview van Boogiedown Breda uit 2010 vond leek het me toch dat de sneer van Brainpower over het taalgebruik van Extince laatstgenoemde niet geheel onberoerd heeft gelaten. Hij werd dan wel gezien als de winnaar van de dis, ergens moet hij gevoeld hebben dat Brainpower een punt had. Misschien was ‘Wee toch’ naast een dis ook een afscheidslied. Als dat het geval is, dan is het maar gedeeltelijk gelukt, zoals dat vaak het geval is bij afscheid. 

Het interview gaat over zijn nieuw te verschijnen album en ook komt een schnabbel voor Interpolis kort aan bod. Waarom Extince gezien werd als de enige juiste persoon om een reclamespot voor de verzekeraar met de slogan ‘Glashelder’ is, in te spreken, is me een raadsel. Naast dat hij twee keer een releasedatum voor zijn album noemt en in dezelfde zin zegt dat hij nog geen releasedatum kan geven, is ook de rest van het interview zo onsamenhangend als een gemiddelde songtekst van Bløf. Het enige dat duidelijk is, is dat Extince zijn stopwoord weliswaar nog niet helemaal kwijt is of kwijt wil, maar dat hij druk bezig is om deze te vervangen, zeg maar: 

“De bedoeling is, ik zit eigenlijk al vanaf september 2009, ben ik met Kees de Koning aan babbelen over nieuw album weetje.  20-10 is de bedoeling dat ik ga droppen. Ik heb niet echt een releasedatum voor jullie ofzo, maar 20-10 is echt de bedoeling zeg maar, ja.

Cool. En kunnen we weer een echt Extince album van je verwachten?
Ja, dat is de bedoeling wel , dat is wel de bedoeling, ja. Ja.

Kan je een klein tipje van de sluier oplichten?
Ja, ne.. eigenlijk niet echt weet je, zeg maar voor mij is sowieso tot en met aan de releasedatum toe kan het nog alle kanten op gaan zeg maar, weetje en ja, het is gewoon van, ik wil gewoon …weetje, ik zou tegen iedereen willen zeggen: be on the kijkuit weetje enne, het is wat het is natuurlijk. Dus eh, ja, het is gewoon eh, ik kan er niet echt wat over zeggen. ’t Is, ja, wat ik er over kan zeggen is, het is wel spit. Het is wel spitwerk weetje, zeg maar, grotendeels. Snap je...

...Ja, de mensen met wie ik zeg maar steady beetje afgelopen jaren heb gewerkt die zullen nu ook in de game zijn, zeg maar, muzikanten en producers zoals bijvoorbeeld D-Lox, Presto, weetje, met hun ben ik doorgaans wel een beetje zeg maar on the roll en die zullen ook op deze album weer verschijnen weetje dus...

...Ik vind het moeilijk om altijd weer vernieuwend te komen zeg maar, maar weetje het uitgangspunt is wel om dat zeg maar te doen weetje.  Sowieso voor mij, ik zei het al eerder weetje, de, ja voor mij de main goal is sowieso om te maintainen zeg maar snap je. Maintainen voor mij, eh ja, is voor mij al zeg maar, de main goal eigenlijk, maar als ik daarnaast gewoon nieuwe dingen kan doen is eigenlijk ook een soort noodzaak. Voor mijn eigen gevoel tenminste snapje...

...Dingen die brood op de plank brengen zijn altijd welkom zeg maar. Zoals bijvoorbeeld, velen van jullie zullen wel gehoord hebben dat ik een tijdje terug dingen had gedaan voor Interpolis.  Als bepaalde dingen zich aanbieden ofzo weetje, en de money is nice, de money is daar, waarom niet weetje. Zolang ik het maar kan combineren zeg maar met wat ik doe zeg maar. Zeg maar mijn droom is altijd om wel door te kunnen blijven gaan met m’n muziek, dat is zeg maar mijn nummero 1 ding weetje. En als er daarnaast, parallel, en daarnaast iets te combineren valt zeg maar wat zeg maar extra doekoetje in de pocket kan brengen, waarom niet snap je. Maar ja, ik ben er tot nu toe zeg maar nooit echt naar op zoek geweest zeg maar, snap je.”  

Inmiddels ben ik voor zeg maar ongeveer een jaar weer genezen. 

 

 




Reacties

 

Ik hoorde voor de eerste keer in mijn leven een leeuw brullen. In het echt dan. Het was vlak nadat hij zijn kont naar ons had toegekeerd en twee andere bezoekers nat sproeide. Het was half negen, een tijdstip waarop Artis normaal gesproken al is gesloten, maar op de zomeravonden mag je tot negen uur in het park blijven. Ik hou niet van dierentuinen, om de voor de hand liggende redenen, maar met een kind ontkom je er niet aan om er af en toe heen te gaan. Dan houd ik me maar vast aan de gedachte dat zij elke keer meer leert over de dieren, wanneer ik de panters verveeld in hun hok heen en weer zie slenteren en zeeleeuwen kunstjes zie doen voor een visje. Maar nu kwamen we niet voor de olifanten, giraffes, apen en leeuwen. We kwamen voor Eefje de Visser, die in het kader van de ZOOmeravonden een optreden gaf waar mijn dochter graag naartoe wilde, en ikzelf ook. Toen ik bij een concert van haar in Paradiso was, kocht ik de plaat ‘Het is’, die ik voor mijn dochter liet signeren en sindsdien is zij fan.
We stonden vlakbij het kleine podium, en vooral vlakbij een box. Mijn dochter zat op mijn nek en bewoog op de muziek en ik stond apetrots te zijn. Toen het concert was afgelopen en voordat we nog een rondje door Artis liepen en slapende chimpansees en de brullende leeuw zagen, stonden we in de rij voor een handtekening. Dat we geen papiertje bij ons hadden maakte volgens mijn dochter niet uit. Een handtekening hoort namelijk helemaal niet op een papiertje. 

 


Reacties

 

Hij moet al de hele tijd vlak voor me hebben gestaan, maar ik zag hem pas toen het nummer ‘Come Back’ werd gespeeld. Ik zag zijn blonde krullen en het leek me dat hij nog maar een paar jaar van een volledige bedekte schedel zou kunnen genieten. En ik zag zijn hoodie, die hij om zijn middel had geknoopt. Er stond een halve avocado op, zoals op de hoes van het album ‘Pearl Jam’ uit 2006. De pit van de avocado zat precies op die plek dat het iets anders leek.
Come Back komt van het avocado-album, en mijn favoriete zin uit het lied is: Please say that if you hadn't gone now/ I wouldn't have lost you another way. Het is een nummer over verlies, en terwijl Pearl Jam het speelde werd de jongen voor me vasthouden, omhelsd en op zijn schouder geklopt door zijn vrienden. Ik vroeg me af wie hij verloren zou hebben, en ik vond het mooi om te zien hoe zijn vrienden de blanke pit in hun ruwe avocado toonden. Ik stond op een meter afstand naar ze te kijken terwijl ik Eddie Vedder hoorde zingen en ik werd emotioneel van wat muziek voor mensen kan betekenen, wat het voor mij betekent. Aan het einde van de set speelden ze Indifference, een nummer dat de mensen die mij ooit, hopelijk over lange, lange tijd gaan verliezen, zullen horen bij mijn afscheid, en een vriend sloeg zijn arm over mijn schouder. 

 

Reacties

 

Ik keek naar de vader van Kees. Horen kon ik hem niet, want hij zweeg en wreef  met de vingers van zijn linkerhand over de rechter terwijl de moeder van Kees sprak over euthanasie voor hun zoon als oplossing voor het moment dat zij er niet meer voor hem kunnen zijn, en dat het prachtig is dat dit echt een mogelijkheid is. Eerder had ik de vader horen zeggen dat die optie niet op zijn lijst staat, dat hij daar niet over praat en er niets van wil weten. Zijn moeder wel, en als zij erover praat zwijgt vader.
Het was een paar dagen nadat de documentaire ‘Het beste voor Kees’ van Monique Nolte op televisie was uitgezonden. Ik had hem die avond gemist en wilde hem wel zien, vandaar dat ik de vele tweets over Kees probeerde te vermijden. Ik wilde de meningen van anderen niet tot me nemen, maar onbevangen kijken naar de autistische Kees en zijn ouders.
Ik keek naar Kees, die 44 is maar zichzelf een man van bijna 46 noemt, die niet tegen teveel geluid kan en die nog bij zijn ouders woont. Ik zag hem in de auto met zijn moeder, scheldend als iemand die volgens Yvonne Kroonenberg in Amsterdam-Noord of Assen zou kunnen wonen. Toen de documentaire was afgelopen vond ik niets van Kees. Niets anders dan dat het een autistische man van 44 is die nog bij zijn ouders woont. 
De documentaire ging voor mij niet over Kees, maar zijn ouders. Ik voelde in het eerste halfuur een enorm respect voor hen, voor het feit dat ze hun eigen leven onderschikt maken en zich volledig in dienst stelden van hun zoon.
Ik keek naar zijn moeder, die heilig voor hem is en dat zelf ook wist, die dat zelf ook vond. Het leek alsof ze zichzelf ook heilig had verklaard, omdat zij van menig is dat zij als enige weet wat het beste voor Kees is. En dat zij zelf, alleen zij, het beste voor Kees is. 
Ik keek naar zijn vader en hoorde hem zeggen dat hij zichzelf ten opzichte van Kees altijd de tweede man voelt. Dat Kees vroeger dingen waar zijn vader veel waarde aan hechtte kapot gooide om hem te straffen. En dat zijn vader dan nooit boos werd. Hij accepteerde zijn rol in het gezin volgens de Olympische gedachte en zweeg wanneer zijn vrouw sprak, alsof hij wist dat er toch niemand naar hem zou luisteren.
Ik keek naar de aftiteling en vond niets van Kees, wilde geen hekel aan zijn moeder hebben en dacht aan zijn vader, kind in het huwelijk tussen zijn vrouw en zijn zoon. En ik vroeg me af wat het beste zou zijn voor de vader van Kees. 

 



Reacties (1)


Ik zag meeuwen zenuwachtig boven het kantoorgebouw cirkelen. Soms hielden ze hun vleugels stil en ik dacht aan aasgieren die wachten tot het roofdier genoeg van zijn prooi heeft gegeten en vertrekt, waarna zij om de restjes kunnen vechten. Op het dak van het kantoor stond een aantal flexibele palen waaraan vliegers vastgebonden waren en die woeste  rondjes draaiden, als woeste waakhonden aan een ketting waar ze niet aan kunnen ontsnappen. Vorige week hingen de vliegers er nog niet, toen hingen er nepvogels die moesten voorkomen dat de meeuwen  massaal op het dak zouden gaan zitten schijten. Het waren zwarte nepvogels die minder windbestendig waren dan de vliegers. Ik zag de vogels vleugellam aan het draad wapperen, alsof ze waren neergeschoten en naar beneden vielen zonder naar beneden te vallen. Ook toen vlogen de meeuwen er omheen, maar lager, dichter bij het dak waarop ze niet meer mochten landen. Nu vlogen ze hoger en het leek alsof ze ook niet op de andere daken, waar geen vliegers of nepvogels aan wapperden, durfden te landen. Er reed een goederentrein langs, de wind ging liggen en de vlieger zakte en hing slap en vermoeid aan het touw. Verder gebeurde er helemaal niets. 


Reacties

 

Hij vroeg of ik iets wilde drinken. ‘Water, wijn, biertje?’ Ik koos voor een biertje en hij opende een flesje voor me. De dop gooide hij in een grote glazen vaas die voor de helft gevuld was met rode doppen. Ik nam een slok en toen liepen we naar het gangetje waar de wastafels staan. Hij waste mijn haar en ik keek voor me naar de betegelde muur waarop in een diavoorstelling platenhoezen werden geprojecteerd. Ik zag veel fijne hoezen voorbij komen van platen die ik ook bezit, en af en toe kwam er een vreemde eend voorbij, zoals de hoes van Will Smith’s Willennium. Uit de stereo klonk een nummer van de eerste plaat van Coldplay.
Hij knipte mijn haar en ik greep de momenten waarop hij iets moest pakken van een plank achter hem aan om een slok van mijn bier te nemen. We vroegen ons af wanneer ik voor het laatst bij hem was geweest en we spraken over muziek. Toen The Smiths door de kapperszaak klonken vertelde hij dat hij niet lang geleden Johnny Marr nog had zien optreden, ergens in een klein zaaltje Down Under, en dat het fantastisch was geweest. En ik dacht aan het concert van Morrissey waar ik een paar jaar geleden was geweest, hoe hij op het podium stond te poseren en dat een vriend van mij ziek was en wit weggetrokken op de tribune van de HMH zat.
Na nog een paar liedjes klonk er weer een bekend intro en hij vertelde dat hij deze band onlangs ook live had gezien. Toen wist ik weer wanneer de laatste keer was dat ik bij hem was, dat was de week voordat hij naar het concert van Depeche Mode zou gaan en ik herinnerde me dat ik baalde dat ik geen kaartjes had. Hij liep even weg om de stereo van shuffle af te halen en ik nam nog een slok van mijn bier en ik keek in de spiegel naar mijn haar. Er was veel van af en ik vond dat het er goed uitzag, al had ik nog uren in die stoel willen zitten. 
 


Reacties


We waren in de speeltuin, er waren geen andere kinderen en op het bankje zat een oude man die we nog niet eerder hadden gezien. ‘Misschien woont die meneer wel heel ver weg,’ zei mijn dochter. ‘Misschien wel in april.’ Hij had een zwarte jas aan, droeg een bril en op zijn schoot lag een witte plastic tas. Hij zag er niet uit alsof hij op iemand aan het wachten was en ik vroeg me af of hij eenzaam was, of hij nog geen zin had om naar zijn huis te gaan, waar toch niemand op hem zat te wachten. Heeft er ooit iemand op hem gewacht, vroeg ik me af. Of misschien was er thuis wel iemand, en wilde hij er juist daarom niet naartoe. Je hoeft niet per se alleen te zijn om je eenzaam te voelen. 
We sprongen over een touw heen, gleden van de glijbaan en we schuilden in het houten huisje toen we net deden alsof het regende en toen het weer droog was maakte mijn dochter een taartje van zand. Toen ik weer naar het bankje keek was de man weg. 


Reacties

 

‘We gaan nu even naar de schedelhuid,’ zei de vrouw die de leiding had over de autopsie. Ze sprak streng en overdreven articulerdend tegen de man die verderop in de kamer stond en verslag legde. Ze hadden net een korte pauze gehad en waren inmiddels toe aan het interne onderzoek van de man die op de stalen tafel lag. De schedelhuid was volgens het lijstje nog niet aan de beurt, maar de forensisch patholoog vond dat het er tijd voor was, waarom werd me niet duidelijk. Ik zag het hoofd en bovenlijf van een man, zijn rechterarm ging heen en weer en ik hoorde het geluid van de zaag in zijn hand waarmee hij door het hoofd van het stoffelijk overschot zaagde. Het geluid hoorde bij het beeld, maar ik had ook prima zonder gekund.
Ik keek naar de documentaire ‘waterlijken’ van Nelleke Koop, waarin politiemensen en forensisch artsen worden gevolgd tijdens de zoektocht naar het verhaal achter een waterlijk. Aan het begin zag ik een agent op een schip, hij at een krentenbol toen er een collega kwam melden dat er iets verderop een lichaam in het water dreef. De agent stond op, stak het laatste stukje krentenbol in zijn mond en in de volgende scene stond hij tot aan zijn middel in het water en hield hij het lichaam vast. Hij vertelde over de geur. ‘Hoe het ruikt is niet te omschrijven, dat moet je ervaren. Het is een geur die je vervolgens altijd zal herkennen.’
Het lichaam lag op een tafel, water droop van zijn kleding, de inhoud van zijn zakken lag op een tafel. Een briefje met uitgelopen inkt, een tientje, een aansteker. Er werden foto’s genomen en ik vroeg me af of het voor de fotograaf anders zou zijn dan voor de rest omdat hij het lijk door een lens zag.
Ik zag twee gehandschoende handen in een bak met operatiegereedschap rommelen en daar wat spullen uithalen, alsof het een automonteur betrof. Hij schroefde een zaag in elkaar en ik moest denken aan al die mensen, voor wie wat ik voor het eerst zag en waar ik een naar gevoel van kreeg hun dagelijks werk is. Dat zij ’s avonds thuiskomen en dat er dan iemand is die aan ze vraagt hoe hun dag was. En wat ze dan zouden antwoorden. ‘Je thuisfront moet je ook begrijpen,’ zei de patholoog. ‘Het is vaak al genoeg als ze luisteren, en knikken en je even vasthouden.’ Ik kreeg zin om haar vast te houden en ik dacht aan de eenzaamheid van de dode, die een paar weken moederziel alleen in het water had gelegen en nooit meer zal worden vastgehouden, die nooit meer zijn armen om iemand heen zal slaan.
Ik zag wat ik dacht dat hersenen waren in plakken worden gesneden en vervolgens zag ik de muur omdat ik wegkeek en ik hoorde de patholoog zeggen dat ze zich niet kan voorstellen dat na de dood je gedachten aan je dierbaren weg zijn.
Ik zag twee mannen het lichaam opbaren en onder een laken leggen voor de identificatie door de nabestaanden, die verder op in een kamer zaten te wachten. Het waterlijk stond op het punt om van een gevonden voorwerp weer een mens te worden. ‘Net zoals je thuis je bed opmaakt,’ zei de één.  De ander zei dat hij niet moest laten merken dat hij dat echt kon en ze lachten, want het is hun werk en daar maak je grapjes over. ‘Hij ligt er keurig bij,’ zei één van hen. Ze lieten een scherm zakken zodat de familie de rest van de ruimte niet hoefde te zien, deden de TL-verlichting uit en de halogeenverlichting aan omdat het er dan wat vriendelijker uit zou zien. Toen ze klaar waren werd de familie opgehaald en naar het lichaam gebracht en even later kwamen alleen de twee politiemensen weer terug. ‘Bakkie doen?’
De aftiteling liep en ik dacht aan de broer en de zoon die voor het glas stonden te kijken naar het lichaam en ik vroeg me af hoe het moet voelen om blij te zijn dat je aan de andere kant van het raam je  dierbare ziet liggen, omdat je dan weet dat hij terecht is, en tegelijkertijd de pijn voelt omdat het hem is, omdat alle hoop die je nog had verdwijnt. Ik moest nog eten maar ik had geen honger. Ik wilde naar song for a dead singer van Zita Swoon luisteren maar ik verkoos de stilte. 

 


Reacties


Ik stond afgelopen vrijdag in Paradiso bij een concert van The Veils en tijdens de toegift speelde de zanger, samen met twee meisjes op viool, een akoestische versie van mijn favoriete nummer, en ik dacht aan de eerste keer dat ik Lavinia hoorde. Het was donker en ik reed over een vrijwel lege snelweg. Ik kwam ergens vandaan of ik ging ergens naartoe. Ik rookte, de radio stond aan en ik hoorde een zanger met een stem zo vol van pijn en ik draaide het volume omhoog en wilde mijn ogen sluiten. Nadat het lied was afgelopen en ik de naam van de band had gehoord zette ik de radio uit, keek naar de witte strepen op het asfalt en herhaalde de bandnaam een paar keer in mijn hoofd, hopend dat ik hem zou onthouden.

Ik kocht de cd een paar weken later, in de cd-winkel aan de Bos en Lommerweg, toen daar nog een cd-winkel was. Er waren ook twee videotheken, vlak naast elkaar, en waar nu De Nieuwe Boekhandel zit zat toen nog Omta, een heerlijk stoffige boekhandel waarvan de eigenaren gekleed gingen volgens de mode die gold in het tijdperk waarin hun kassa was gemaakt. Het was er krap en donker, en naast boeken verkochten ze er ook kantoorartikelen. In de cd-winkel luisterde ik door een koptelefoon naar de cd, op zoek naar het nummer dat ik in de auto had gehoord. Het was het derde nummer op de cd. Ik skipte door de andere nummers, hoorde intro’s en de stem van de zanger en ik kon niet wachten om thuis de cd een keer of tien achter elkaar te draaien. Lavinia draaide ik nog vaker, en nog steeds. En elke keer ga ik op in de tekst, in de muziek en in de stem van Finn Andrews. Maar in Paradiso dacht ik vooral aan boekhandel Omta. 

 



Reacties


De website van Hank nodigt uit om je leven in muziek te vatten aan de hand van dertig vragen. Dit is deel 5 van mijn muzikale autobiografie.  

Een nummer dat je aan iemand doet denken

We slenterden met volle maag terug naar het hotel. Vanaf het restaurant waren we eerst een stuk met de bus gegaan, maar die stopte niet in de buurt van waar wij heen moesten maar dat was niet erg, het was nog warm in de stad. ‘Lopen is goed voor de spijsvertering,’ zei ik tegen mijn lief en ze knikte. Overdag hadden we door de stad gelopen en gekeken naar alles wat er te zien was, bij het Vaticaan zagen we hoe de paus zigzaggend over het Sint-Pietersplein werd gereden, waar een uitzinnige menigte hem toejuichte. Wij stonden op afstand, achter een hek dat werd bewaakt door mannen met wapens.  Daarna zaten we zonder jas op een terras bij het Pantheon, onze zonnebrillen niet als fashion statement maar hoogst noodzakelijk op de neus. We aten pasta en dronken prosecco en ik las in een boekje dat het gat in het dak van het Pantheon een perfect gat is. De diameter hiervan is precies even groot als de afstand van het gat tot de vloer. En ik dacht aan ‘Schip’,van Eefje de Visser, waarin ze zingt dat ze naar Rome wil omdat men zegt dat het er mooi is.
Het is er mooi.
Wel waren me de vele bedelaars opgevallen, die op trappen en stoepen zaten met een leeg bekertje voor zich en sommigen hadden een hond bij zich. Ik heb altijd medelijden met die honden omdat ze nooit gelukkig lijken te zijn en dan hoop ik maar dat er, naar omstandigheden, goed voor ze wordt gezorgd. Aan de andere kant hebben die honden tenminste nog iemand die zo goed en zo kwaad als het kan voor ze zorgt, wie weet wat er anders van hen terecht zou komen, of ze überhaupt nog zouden leven. Niemand zorgt voor hun baasje, aan het einde van de dag kun je nog steeds de bodem van hun bekers zien.
We gingen op de zesde trede van  een brede trap zitten om een sigaret te roken. Op de grond voor ons lag een zwerver te slapen, hij gebruikte de eerste trede als hoofdkussen en het zag er alles behalve comfortabel uit maar de man leek diep in slaap. Ik zei tegen mijn lief dat ik het vreemd vond dat bedelaars en zwervers me in vreemde steden wel opvallen. We rookten onze sigaret en liepen verder en kwamen nog meer slapende zwervers tegen. ‘Wat een leven,’ zei ik en mijn lief. ‘Hoe is het toch mogelijk dat het leven je zo tegen kan zitten dat je op straat moet leven.’
‘Weet je waar ik aan moet denken,’ zei ze. ‘Dat ze ook gewoon een vader en een moeder hebben.’ En ik dacht aan John Fraham en hoe ik nooit meer naar die ene zin uit 'You're the voice' zou kunnen luisteren zonder aan die jongen met zijn hoofd op de eerste trede van de trap te denken. 

 




Reacties