Laatste artikelen

 

We brachten onze dochter voor de tweede keer naar school. Vorige week was ze al een uurtje wezen wennen, toen miste ik het wegbrengen en was ik er alleen bij toen we haar weer op gingen halen. Ze zag ons wachten en stak trots twee duimen naar ons op. De weken hiervoor vond ik het op een angstige manier spannend dat ze naar school zou gaan en ik wist dat het alleen mijn angst was en dat ik eigenlijk niets had om bang voor te zijn, dat het alleen maar angst was voor het nieuwe, voor de verandering, en ik bewonderde de kinderlijke onbevangenheid van mijn dochter, die alleen maar bang is voor krokodillen onder haar bed en zelfs dat eigenlijk niet eens echt.

We waren vroeg op het schoolplein, de kinderen uit haar klas speelden op het pleintje en er kwamen direct een paar meisjes uit haar klas naar ons toe om te kletsen en ze vroegen aan hun nieuwe klasgenootje of ze mee wilde spelen. Toen de les bijna weer begon pakte een van de meisjes de hand van mijn dochter en samen huppelden ze naar de deur, en ik moest er bijna van huilen.
Twee uur later haalden we haar weer van school. We stonden met andere ouders in de rij, een voor een mochten de kinderen de klas verlaten, nadat ze de juf een hand hadden gegeven. Het meisje waarmee onze dochter had gehuppeld was een van de eersten, ze zwaaide naar ons en ik hoorde haar tegen haar moeder zeggen dat ze het vriendinnetje is van het nieuwe meisje in de klas. Ik was niet bang meer en ik moest alweer bijna huilen.


 

Je ziet ze soms vanaf de snelweg. Oude boerderijtjes die al ver voordat het landschap door een streep asfalt in tweeën werd gedeeld zijn gebouwd. Ze zijn vervallen, de boer en boerin zijn vertrokken, misschien wel omdat de snelweg werd aangelegd en zij niet langer hun bedrijf konden of mochten bestieren. Er groeit klimop tegen de muren aan, dakpannen zijn verschoven of gevallen, de ruiten gesneuveld. Ik houd van dit soort boerderijtjes, van alles wat er vervallen uitziet en waar je, in tegenstelling tot bij pas opgeleverde nieuwbouwflats, de historie bij kunt verzinnen. Een historie die romantischer dan de werkelijkheid zal zijn, zoals ik ook mijn eigen historie rooskleuriger voorschotel dan hij is. In ‘Alsof het voorbij is’ schrijft Julian Barnes hier het volgende over:

Hoe vaak vertellen we ons levensverhaal? Hoe vaak stellen we bij, verfraaien we, laten we handig dingen weg? En hoe langer het leven doorgaat, hoe minder er om ons heen overblijven om onze versie te betwisten, ons eraan te herinneren dat ons leven niet ons leven is, maar alleen het verhaal dat wij erover verteld hebben. Verteld aan anderen, maar –voornamelijk- aan onszelf.

Het is een alinea waardoor ik een ezelsoor in de pagina wil vouwen, zodat ik de zinnen snel terug kan vinden wanneer ik ze volgende maand of over een jaar nog een keer wil lezen. Of dat ik over een paar jaar het boek zonder aanwijsbare reden weer uit de kast trek, mezelf afvraag waarom ik het ezelsoor heb gemaakt en nadat ik het boek op die pagina heb opengeslagen die zinnen weer lees zoals wanneer ik naar oude foto’s kijk. Ezelsoren zijn als het kaartje van een concert van je favoriete band dat je ergens onder in een la bewaart voor het geval je ooit vergeet dat je er bij was.
Ik houd van boeken met ezelsoren, boeken waar herinneringen in zitten en die eruitzien als dat vervallen boerderijtje, ergens langs de snelweg. ‘Alsof het voorbij is’ zou zo’n boek zijn geworden, als ik niet zou lezen in de nieuwbouwflat die mijn e-reader is. 

 


 

De bar van Paradiso was gesloten en ik vroeg me af of dat te maken met het concert op 3 oktober 2006. Toen speelde Ryan Adams met The Cardinals in dezelfde zaal. Ik was er met mijn toenmalige lief en naast mij stond een jongen met een pet op zijn hoofd. Aan de klep zaten twee microfoontjes en toen het concert begon zette hij zijn opnameapparatuur aan. Het was een vreemd concert, Ryan Adams keek de zaal nauwelijks in en zei niets, helemaal niets tegen zijn publiek. Zelfs toen er een man, slechts gekleed in een onderbroek, het podium op klom reageerde hij niet. Er kwam geen toegift. Adams verdween opeens van het podium en niet veel later vertrok de band ook maar, in dezelfde staat van verwarring als die heerste in de zaal en die daar al snel omsloeg in woede. Er werden van alle kanten bierglazen op het podium gewonnen, alsof zojuist de winnaar van de Grote Prijs van Nederland bekend werd gemaakt. Het was een memorabele avond maar om de verkeerde reden, zoals ik me ook de dag waarop mijn toenmalige lief me verliet nog steeds herinner.
Ook afgelopen maandag was ik er met vriendin J. En dit concert was memorabel om de goede reden, ondanks dat Adams er in het begin niet veel zin in leek te hebben en halverwege vertelde dat hij zijn stem aan het verliezen was. Of beter, omdat hij zijn stem aan het verliezen was. Het laatste deel van het concert stond hij alleen op het podium. Beter gemutst en met een akoestische gitaar. Hij speelde de rustige nummers waar ik hem zo om bewonder. Er hing magie in de lucht. Voor ons stond een ouder stel en ik zag haar hand op zijn schouder en zijn hand daar weer op. Ik vond het mooi dat zij er waren en ik was gelukkig omdat wij er ook waren. Toen het concert was afgelopen ging de bar weer open. We haalden nog een laatste biertje en dronken dat gewoon op. 

 


 

Het overkomt me één keer per jaar en het duurt een week. Hooguit twee. Vanuit het niets komt het op, onomkeerbaar als een niesbui. Ik ben Regan McNeill en Peter Kops is de duivel die bezit van me neemt. Er is weinig anders waar ik aan kan denken. Het is Exter-O-Naldus wat de klok slaat. Het is niet zo dat ik ineens sportsokken ga dragen of rokken ga jagen. Net zo min luister ik naar Julio Iglesias. Zelfs niet naar de muziek van Extince. Ik stel mezelf triviale vragen zoals hoeveel weken geleden hij is geboren in het nummer Spraakwater (1420),  en ik struin YouTube af, op zoek naar fragmenten en interviews die ik nog niet eerder heb gezien.

Dit jaar kwam ik terecht op de ‘ruzie’ tussen Extince en Brainpower. Waar en waarom het precies is begonnen weet ik niet, ik heb het ook niet opgezocht. Maar het nummer ‘Doorgaan’ is blijkbaar een aanval op Brainpower, die reageert met 'Ghostbusters', waarin hij zegt dat Extince ten onrechte de credits voor het succes van Brainpower claimt, dat er nog meer woorden in onze taal zijn dan ‘je weet toch’. Extince reageerde hier weer op met ‘Wee toch’. Hierna volgde helemaal niets meer. Die hele dis interesseert me helemaal niet, maar toen ik een interview van Boogiedown Breda uit 2010 vond leek het me toch dat de sneer van Brainpower over het taalgebruik van Extince laatstgenoemde niet geheel onberoerd heeft gelaten. Hij werd dan wel gezien als de winnaar van de dis, ergens moet hij gevoeld hebben dat Brainpower een punt had. Misschien was ‘Wee toch’ naast een dis ook een afscheidslied. Als dat het geval is, dan is het maar gedeeltelijk gelukt, zoals dat vaak het geval is bij afscheid. 

Het interview gaat over zijn nieuw te verschijnen album en ook komt een schnabbel voor Interpolis kort aan bod. Waarom Extince gezien werd als de enige juiste persoon om een reclamespot voor de verzekeraar met de slogan ‘Glashelder’ is, in te spreken, is me een raadsel. Naast dat hij twee keer een releasedatum voor zijn album noemt en in dezelfde zin zegt dat hij nog geen releasedatum kan geven, is ook de rest van het interview zo onsamenhangend als een gemiddelde songtekst van Bløf. Het enige dat duidelijk is, is dat Extince zijn stopwoord weliswaar nog niet helemaal kwijt is of kwijt wil, maar dat hij druk bezig is om deze te vervangen, zeg maar: 

“De bedoeling is, ik zit eigenlijk al vanaf september 2009, ben ik met Kees de Koning aan babbelen over nieuw album weetje.  20-10 is de bedoeling dat ik ga droppen. Ik heb niet echt een releasedatum voor jullie ofzo, maar 20-10 is echt de bedoeling zeg maar, ja.

Cool. En kunnen we weer een echt Extince album van je verwachten?
Ja, dat is de bedoeling wel , dat is wel de bedoeling, ja. Ja.

Kan je een klein tipje van de sluier oplichten?
Ja, ne.. eigenlijk niet echt weet je, zeg maar voor mij is sowieso tot en met aan de releasedatum toe kan het nog alle kanten op gaan zeg maar, weetje en ja, het is gewoon van, ik wil gewoon …weetje, ik zou tegen iedereen willen zeggen: be on the kijkuit weetje enne, het is wat het is natuurlijk. Dus eh, ja, het is gewoon eh, ik kan er niet echt wat over zeggen. ’t Is, ja, wat ik er over kan zeggen is, het is wel spit. Het is wel spitwerk weetje, zeg maar, grotendeels. Snap je...

...Ja, de mensen met wie ik zeg maar steady beetje afgelopen jaren heb gewerkt die zullen nu ook in de game zijn, zeg maar, muzikanten en producers zoals bijvoorbeeld D-Lox, Presto, weetje, met hun ben ik doorgaans wel een beetje zeg maar on the roll en die zullen ook op deze album weer verschijnen weetje dus...

...Ik vind het moeilijk om altijd weer vernieuwend te komen zeg maar, maar weetje het uitgangspunt is wel om dat zeg maar te doen weetje.  Sowieso voor mij, ik zei het al eerder weetje, de, ja voor mij de main goal is sowieso om te maintainen zeg maar snap je. Maintainen voor mij, eh ja, is voor mij al zeg maar, de main goal eigenlijk, maar als ik daarnaast gewoon nieuwe dingen kan doen is eigenlijk ook een soort noodzaak. Voor mijn eigen gevoel tenminste snapje...

...Dingen die brood op de plank brengen zijn altijd welkom zeg maar. Zoals bijvoorbeeld, velen van jullie zullen wel gehoord hebben dat ik een tijdje terug dingen had gedaan voor Interpolis.  Als bepaalde dingen zich aanbieden ofzo weetje, en de money is nice, de money is daar, waarom niet weetje. Zolang ik het maar kan combineren zeg maar met wat ik doe zeg maar. Zeg maar mijn droom is altijd om wel door te kunnen blijven gaan met m’n muziek, dat is zeg maar mijn nummero 1 ding weetje. En als er daarnaast, parallel, en daarnaast iets te combineren valt zeg maar wat zeg maar extra doekoetje in de pocket kan brengen, waarom niet snap je. Maar ja, ik ben er tot nu toe zeg maar nooit echt naar op zoek geweest zeg maar, snap je.”  

Inmiddels ben ik voor zeg maar ongeveer een jaar weer genezen. 

 

 




 

Ik hoorde voor de eerste keer in mijn leven een leeuw brullen. In het echt dan. Het was vlak nadat hij zijn kont naar ons had toegekeerd en twee andere bezoekers nat sproeide. Het was half negen, een tijdstip waarop Artis normaal gesproken al is gesloten, maar op de zomeravonden mag je tot negen uur in het park blijven. Ik hou niet van dierentuinen, om de voor de hand liggende redenen, maar met een kind ontkom je er niet aan om er af en toe heen te gaan. Dan houd ik me maar vast aan de gedachte dat zij elke keer meer leert over de dieren, wanneer ik de panters verveeld in hun hok heen en weer zie slenteren en zeeleeuwen kunstjes zie doen voor een visje. Maar nu kwamen we niet voor de olifanten, giraffes, apen en leeuwen. We kwamen voor Eefje de Visser, die in het kader van de ZOOmeravonden een optreden gaf waar mijn dochter graag naartoe wilde, en ikzelf ook. Toen ik bij een concert van haar in Paradiso was, kocht ik de plaat ‘Het is’, die ik voor mijn dochter liet signeren en sindsdien is zij fan.
We stonden vlakbij het kleine podium, en vooral vlakbij een box. Mijn dochter zat op mijn nek en bewoog op de muziek en ik stond apetrots te zijn. Toen het concert was afgelopen en voordat we nog een rondje door Artis liepen en slapende chimpansees en de brullende leeuw zagen, stonden we in de rij voor een handtekening. Dat we geen papiertje bij ons hadden maakte volgens mijn dochter niet uit. Een handtekening hoort namelijk helemaal niet op een papiertje. 

 


 

Hij moet al de hele tijd vlak voor me hebben gestaan, maar ik zag hem pas toen het nummer ‘Come Back’ werd gespeeld. Ik zag zijn blonde krullen en het leek me dat hij nog maar een paar jaar van een volledige bedekte schedel zou kunnen genieten. En ik zag zijn hoodie, die hij om zijn middel had geknoopt. Er stond een halve avocado op, zoals op de hoes van het album ‘Pearl Jam’ uit 2006. De pit van de avocado zat precies op die plek dat het iets anders leek.
Come Back komt van het avocado-album, en mijn favoriete zin uit het lied is: Please say that if you hadn't gone now/ I wouldn't have lost you another way. Het is een nummer over verlies, en terwijl Pearl Jam het speelde werd de jongen voor me vasthouden, omhelsd en op zijn schouder geklopt door zijn vrienden. Ik vroeg me af wie hij verloren zou hebben, en ik vond het mooi om te zien hoe zijn vrienden de blanke pit in hun ruwe avocado toonden. Ik stond op een meter afstand naar ze te kijken terwijl ik Eddie Vedder hoorde zingen en ik werd emotioneel van wat muziek voor mensen kan betekenen, wat het voor mij betekent. Aan het einde van de set speelden ze Indifference, een nummer dat de mensen die mij ooit, hopelijk over lange, lange tijd gaan verliezen, zullen horen bij mijn afscheid, en een vriend sloeg zijn arm over mijn schouder. 

 

 

Ik keek naar de vader van Kees. Horen kon ik hem niet, want hij zweeg en wreef  met de vingers van zijn linkerhand over de rechter terwijl de moeder van Kees sprak over euthanasie voor hun zoon als oplossing voor het moment dat zij er niet meer voor hem kunnen zijn, en dat het prachtig is dat dit echt een mogelijkheid is. Eerder had ik de vader horen zeggen dat die optie niet op zijn lijst staat, dat hij daar niet over praat en er niets van wil weten. Zijn moeder wel, en als zij erover praat zwijgt vader.
Het was een paar dagen nadat de documentaire ‘Het beste voor Kees’ van Monique Nolte op televisie was uitgezonden. Ik had hem die avond gemist en wilde hem wel zien, vandaar dat ik de vele tweets over Kees probeerde te vermijden. Ik wilde de meningen van anderen niet tot me nemen, maar onbevangen kijken naar de autistische Kees en zijn ouders.
Ik keek naar Kees, die 44 is maar zichzelf een man van bijna 46 noemt, die niet tegen teveel geluid kan en die nog bij zijn ouders woont. Ik zag hem in de auto met zijn moeder, scheldend als iemand die volgens Yvonne Kroonenberg in Amsterdam-Noord of Assen zou kunnen wonen. Toen de documentaire was afgelopen vond ik niets van Kees. Niets anders dan dat het een autistische man van 44 is die nog bij zijn ouders woont. 
De documentaire ging voor mij niet over Kees, maar zijn ouders. Ik voelde in het eerste halfuur een enorm respect voor hen, voor het feit dat ze hun eigen leven onderschikt maken en zich volledig in dienst stelden van hun zoon.
Ik keek naar zijn moeder, die heilig voor hem is en dat zelf ook wist, die dat zelf ook vond. Het leek alsof ze zichzelf ook heilig had verklaard, omdat zij van menig is dat zij als enige weet wat het beste voor Kees is. En dat zij zelf, alleen zij, het beste voor Kees is. 
Ik keek naar zijn vader en hoorde hem zeggen dat hij zichzelf ten opzichte van Kees altijd de tweede man voelt. Dat Kees vroeger dingen waar zijn vader veel waarde aan hechtte kapot gooide om hem te straffen. En dat zijn vader dan nooit boos werd. Hij accepteerde zijn rol in het gezin volgens de Olympische gedachte en zweeg wanneer zijn vrouw sprak, alsof hij wist dat er toch niemand naar hem zou luisteren.
Ik keek naar de aftiteling en vond niets van Kees, wilde geen hekel aan zijn moeder hebben en dacht aan zijn vader, kind in het huwelijk tussen zijn vrouw en zijn zoon. En ik vroeg me af wat het beste zou zijn voor de vader van Kees. 

 




Ik zag meeuwen zenuwachtig boven het kantoorgebouw cirkelen. Soms hielden ze hun vleugels stil en ik dacht aan aasgieren die wachten tot het roofdier genoeg van zijn prooi heeft gegeten en vertrekt, waarna zij om de restjes kunnen vechten. Op het dak van het kantoor stond een aantal flexibele palen waaraan vliegers vastgebonden waren en die woeste  rondjes draaiden, als woeste waakhonden aan een ketting waar ze niet aan kunnen ontsnappen. Vorige week hingen de vliegers er nog niet, toen hingen er nepvogels die moesten voorkomen dat de meeuwen  massaal op het dak zouden gaan zitten schijten. Het waren zwarte nepvogels die minder windbestendig waren dan de vliegers. Ik zag de vogels vleugellam aan het draad wapperen, alsof ze waren neergeschoten en naar beneden vielen zonder naar beneden te vallen. Ook toen vlogen de meeuwen er omheen, maar lager, dichter bij het dak waarop ze niet meer mochten landen. Nu vlogen ze hoger en het leek alsof ze ook niet op de andere daken, waar geen vliegers of nepvogels aan wapperden, durfden te landen. Er reed een goederentrein langs, de wind ging liggen en de vlieger zakte en hing slap en vermoeid aan het touw. Verder gebeurde er helemaal niets. 


 

Hij vroeg of ik iets wilde drinken. ‘Water, wijn, biertje?’ Ik koos voor een biertje en hij opende een flesje voor me. De dop gooide hij in een grote glazen vaas die voor de helft gevuld was met rode doppen. Ik nam een slok en toen liepen we naar het gangetje waar de wastafels staan. Hij waste mijn haar en ik keek voor me naar de betegelde muur waarop in een diavoorstelling platenhoezen werden geprojecteerd. Ik zag veel fijne hoezen voorbij komen van platen die ik ook bezit, en af en toe kwam er een vreemde eend voorbij, zoals de hoes van Will Smith’s Willennium. Uit de stereo klonk een nummer van de eerste plaat van Coldplay.
Hij knipte mijn haar en ik greep de momenten waarop hij iets moest pakken van een plank achter hem aan om een slok van mijn bier te nemen. We vroegen ons af wanneer ik voor het laatst bij hem was geweest en we spraken over muziek. Toen The Smiths door de kapperszaak klonken vertelde hij dat hij niet lang geleden Johnny Marr nog had zien optreden, ergens in een klein zaaltje Down Under, en dat het fantastisch was geweest. En ik dacht aan het concert van Morrissey waar ik een paar jaar geleden was geweest, hoe hij op het podium stond te poseren en dat een vriend van mij ziek was en wit weggetrokken op de tribune van de HMH zat.
Na nog een paar liedjes klonk er weer een bekend intro en hij vertelde dat hij deze band onlangs ook live had gezien. Toen wist ik weer wanneer de laatste keer was dat ik bij hem was, dat was de week voordat hij naar het concert van Depeche Mode zou gaan en ik herinnerde me dat ik baalde dat ik geen kaartjes had. Hij liep even weg om de stereo van shuffle af te halen en ik nam nog een slok van mijn bier en ik keek in de spiegel naar mijn haar. Er was veel van af en ik vond dat het er goed uitzag, al had ik nog uren in die stoel willen zitten. 
 



We waren in de speeltuin, er waren geen andere kinderen en op het bankje zat een oude man die we nog niet eerder hadden gezien. ‘Misschien woont die meneer wel heel ver weg,’ zei mijn dochter. ‘Misschien wel in april.’ Hij had een zwarte jas aan, droeg een bril en op zijn schoot lag een witte plastic tas. Hij zag er niet uit alsof hij op iemand aan het wachten was en ik vroeg me af of hij eenzaam was, of hij nog geen zin had om naar zijn huis te gaan, waar toch niemand op hem zat te wachten. Heeft er ooit iemand op hem gewacht, vroeg ik me af. Of misschien was er thuis wel iemand, en wilde hij er juist daarom niet naartoe. Je hoeft niet per se alleen te zijn om je eenzaam te voelen. 
We sprongen over een touw heen, gleden van de glijbaan en we schuilden in het houten huisje toen we net deden alsof het regende en toen het weer droog was maakte mijn dochter een taartje van zand. Toen ik weer naar het bankje keek was de man weg.